Sociaal stelsel

Maak werken lonend, verlaag de woonlasten!

Als we een 3e generatie bankzitters willen voorkomen, zullen we werken aantrekkelijker moeten maken. Alleen dan zullen we weer zelf onze vis schoonmaken, zelf onze eigen asperges steken, zelf de was doen, zelf de vuilnis ophalen, zelf onze eigen tomaten plukken, zelf onze bejaarde ouders verzorgen, zelf onze huizen verbouwen, zelf onze eigen straatje schoon vegen en zelf onze bloemen oogsten op onze wereldberoemde bollenvelden.

Werken moet weer lonend worden!

In 1959 werd de gasbel in Slochteren ontdekt. Nederland had een onuitputtelijke bron van welvaart aangeboord, dacht ze. We konden het ons permitteren om aan de lopende band goedkope gastarbeiders te onthalen voor het werk dat Klaas en Trudie ‘ontgroeid’ waren. En zo geschiede. Inmiddels zijn onze hardwerkende gastarbeiders van weleer zo goed ingeburgerd dat ze naast ons aan de koffie op de bank zitten terwijl we vrolijk naar de busjes uit Polen en Roemenië zwaaien die af en aan rijden om onze badkamertjes te verbouwen en meer. De 2e generatie bankzitters is gesetteld.

Zolang we geld genoeg hebben is dat geen probleem. Maar nu de bodemloze gasvoorraad onder Groningen inzakt, droogt ook de onbezorgde welvaart op. Tegelijk is er een groeiend aantal mensen dat niet in zijn eigen inkomen kan voorzien. Er is vergrijzing, mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt en er zijn steeds meer gebroken gezinnen met kinderen. Van de mensen die wel kunnen werken, wordt meer gevraagd. Meer kennis, meer belasting en hogere productiviteit. Als we de balans niet goed bewaken, lopen we het risico dat ons sociale stelsel vastloopt. Als dat gebeurt zijn de rapen gaar, de solidariteit is dan ver te zoeken. De meeste mensen kunnen samen met anderen wel door dik, maar niet door dun.

Politici roepen daarom in koor: “Werken moet weer lonend worden!”. Maar geen rechts en geen links kabinet heeft de uitkeringen verlaagd. Ook de minimum lonen hebben ze niet verhoogd. Dat gaat dus niet werken! Hoe zit dat?

Vele handen maken licht werk

Nederland heeft een arbeidsreserve van ongeveer 1 miljoen mensen die in deeltijd, voltijd of gedeeltelijk kunnen werken. Er zijn ongeveer 380 duizend mensen werkeloos, 440 duizend mensen staan te trappelen in de bijstand en 810 duizend mensen zijn geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt (CBS dec. ’17). Tel hier 3,4 miljoen ouderen met een aow-tje bij op en zie dat 1 op de 3 volwassenen nu leeft op kosten van een ander. Als we zo nog een paar decennia doorgaan, heeft de helft van Nederland straks bij wijze van spreken een persoonlijke weldoener.

Om te voorkomen dat ons sociale stelsel vastloopt moeten we voorkomen dat werkende mensen opbranden en de arbeidsparticipatie stimuleren. Als meer mensen met een uitkering gaan werken, is er minder belastinggeld nodig. De loonbelasting kan dan omlaag en arbeid wordt goedkoper. Werkgevers kunnen zich vervolgens meer werknemers veroorloven. En als er meer mensen werken, kan de werkdruk omlaag. Ofwel; als iedereen zijn handjes laat wapperen worden we met z’n allen minder moe en houden we meer over.

Hogere lonen geven een hogere werkdruk

De werkdruk hangt samen met het prijskaartje dat aan arbeid hangt. Hoe meer een werknemer kost, des te hoger moet de productiviteit zijn. Doordat we één Europa zijn, moet de Nederlandse werknemer concurreren met arbeiders uit andere Europese landen. Een Nederlander is al minstens twee keer zo duur als een Pool. De lonen verhogen is vanuit dit perspectief geen optie, het zou de internationale concurrentiepositie van de Nederlandse werknemer geen goed doen. Banen zouden verloren gaan en de belastingdruk op de overgebleven arbeidsplaatsen zou toenemen. Dat stuwt de kosten voor arbeid en de werkdruk vervolgens nog verder op. In die vicieuze cirkel willen we niet terecht komen.

Kunnen we de uitkeringen verlagen?

Via internationale verdragen (o.a. EVRM) hebben we onszelf verplicht om bestaanszekerheid aan al onze burgers te garanderen. Onze uitkeringen zijn op dit moment al gebaseerd op het bestaansminimum, gerekend naar de kosten voor levensonderhoud in Nederland. Om te kunnen bestaan heeft een mens minimaal een huis, eten en zorg nodig.

Een bijstandsuitkering varieert van circa 700 euro voor een alleenstaande tot circa 1.350 euro voor een gezin. Dit laatste bedrag is gelijk aan het minimum loon. Internationaal gezien zijn zowel de minimum uitkering als het minimum loon hoog. Toch kunnen beide niet omlaag zonder de bestaanszekerheid aan te tasten. Door ons hoge welvaartsniveau hangt aan leven in Nederland een aardig prijskaartje. Zowel linkse als rechtse politici weten dit. Daarom gaan de uitkeringen niet omlaag.

Als we de uitkeringen toch willen verlagen, zullen we dus naar de uitgaven moeten kijken. Want pas als het leven in Nederland goedkoper wordt, is er minder geld nodig voor bestaanszekerheid.

Wat kost leven in Nederland?

Wonen, eten en zorg zijn de belangrijkste elementen voor bestaanszekerheid. De prijs voor voedsel wordt voor het grootste deel internationaal bepaald en is in veel Europese landen ongeveer hetzelfde. Onze overheid is al jaren drukdoende om de zorgkosten betaalbaar te houden. Ook deze zijn aardig vergelijkbaar met andere Europese landen. Met wonen ligt het anders, dat is in vergelijking met andere landen duur.

De woonlasten voor huurders zijn gemiddeld 39% tot 42% % van het netto inkomen. Mensen met een lager inkomen of een uitkering geven waarschijnlijk een nog groter deel uit aan wonen. Kopers besteden overigens gemiddeld 28% tot 34% aan wonen. Bij deze percentages zijn de gemeentelijke heffingen inbegrepen.  In andere Europese landen besteden mensen ongeveer 25% aan wonen, ook mensen met lagere inkomens.

De uitkeringen kunnen omlaag als wonen goedkoper wordt

Al met al kun je erop speculeren dat de uitkeringen van onze landgenoten pijnloos evenveel naar beneden kunnen als de maandelijkse woonlasten. Maar waarom zijn de huren dan zo hoog?

Nederland heeft de grootste sociale huursector van Europa en rekent een van de hoogste huren. Woningcorporaties bezitten circa 35% van de woningen in Nederland. Onze woningcorporaties bulken van het geld, als dat tenminste niet verbrast is met Vestia achtig wanbeleid. Toch gaan de huren niet omlaag. Voor een deel komt dat doordat huurprijzen beïnvloed worden door de prijzen van koopwoningen. Daarbij wordt de prijs van een woning in belangrijke mate bepaald door de grondprijs. Het geld dat overblijft wordt als het goed is gereserveerd voor onderhoud, het verduurzamen van woningen en nieuwbouw.

Prik de zeepbel van de hypotheekrenteaftrek door!

De hypotheekrenteaftrek drijft de prijs van koopwoningen al jaren kunstmatig op. Doordat hypotheken en huren elkaar beïnvloeden, hebben ook huurders hier last van. Nederland heeft verhoudingsgewijs de grootste hypotheekschuld ter wereld. De Europese commissie zit Nederland hier al decennia voor achter de broek. De schuldenlast wordt verder opgestuwd door falend overheidsbeleid en toezicht die de vorming van speculatieve beleggingshypotheken door banken en verzekeraars mogelijk hebben gemaakt. Onze woningvoorraad is beduidend minder waard dan we met z’n allen aan hypotheekschuld hebben. Wat ooit bedoeld was als een socialistische maatregel om het eigen woningbezit voor mensen met een laag inkomen te bevorderen, is door een slechte uitvoering verworden tot een gedrocht dat wonen voor arm en rijk kunstmatig duur maakt.

Leg grondpolitiek door gemeenten aan banden

Gemeenten ontvangen geld van de centrale overheid op basis van het aantal inwoners. Voor zichzelf kunnen gemeenten alleen inkomsten genereren door onroerend zaak belasting (OZB) te heffen en door grond te verkopen. Beiden maken wonen duurder. Met het verhogen van de OZB maakt een gemeente zich niet populair, met het duur verkopen van grond wel. Zo zijn gemeenten verslingerd geraakt aan speculatieve vastgoed politiek. Landbouwgronden worden aangekocht en opgewaardeerd tot bouwgrond, dat vervolgens tegen een zo hoog mogelijke prijs aan projectontwikkelaars verkocht wordt om sociale, prestigieuze en ambitieuze plannen op de verlanglijstjes van wethouders en raadsleden te verwezenlijken. Eenmalige inkomsten worden op deze manier vaak gebruikt voor lopende uitgaven.

Dat dit doorwerkt in de prijzen van huurwoningen, omdat ook de woningcorporaties flink in de buidel moeten tasten voor de aankoop van grond, lijkt niemand te deren. Er wordt simpelweg niet bij stil gestaan dat al die prijs opdrijvende ambities als een boemerang terugkomen. Veel gemeenten hebben niet in de gaten dat ze feitelijk op te grote voet leven. Inkomsten uit grondverkoop is per saldo een vorm van statiegeld dat nodig is voor flexibiliteit in het beheer van bestemmingsplannen.

Werken kan weer lonen worden!

Als we de zeepbel uit de hypotheken halen en grondpolitiek voor gemeenten aan banden leggen, wordt wonen goedkoper en kunnen de uitkeringen met goed fatsoen omlaag. De werklust is dan niet meer alleen afhankelijk van moreel besef, maar brengt ook extra geld in het laatje.

 

Dit artikel is een bewerking van 1e publicatie 1 januari 2013

Bronnen:

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *